Er bestaat een stilte die luider schreeuwt dan welke redevoering ook. Het is de stilte van de mens die hoort wat niemand anders hoort, ziet wat geen oog kan staven, en weet wat geen dossier kan bevatten. Wanneer die mens ten slotte spreekt — wanneer hij, bevend of berustend, probeert zijn binnenste in gewone woorden te kleden — gebeurt er iets merkwaardigs. De taal die hij aantreft blijkt te klein, te voorgekauwd, te zeer al het eigendom van een ander. Hij krijgt niet de woorden die bij zijn ervaring passen, maar de woorden die bij zijn classificatie passen. Zo begint, haast onmerkbaar, een tweede gevangenis: niet langer de dwangbuis of de gesloten afdeling, maar het vocabularium zelf. Het is precies tegen deze tweede gevangenis dat het hier te bespreken lexicon is opgetrokken — een curieuze, bijna gewelddadig rijke verzameling van bijna negenhonderd nieuwgemunte Nederlandse woorden, alfabetisch geordend, met paginauwe verwijzingen naar een lichaam van tekst dat eromheen moet zijn geschreven, maar dat in dit bestek slechts als horizon fungeert. De woorden zelf zijn het archief. Zij zijn de daad. Wie ze leest, begrijpt dat de psychiatrische patiënt niet eerst een ervaring heeft en daarna een tekort aan taal; hij ervaart zijn ervaring meteen al in de termen van een macht die hem definiëren wil, en pas wanneer hij een eigen idioom vindt, wordt de ervaring werkelijk de zijne. Het nieuwe idioom is geen luxe, geen stilistisch exces, geen dichterlijke bevlieging. Het is een architectuur van zelfverdediging.
Wie door deze lexicon bladert, valt onmiddellijk op hoe systematisch de woorden zijn opgebouwd. Het zijn geen willekeurige samenstellingen. Er zijn hele families: een familie rond soevereiniteit — psychose-sovereiniteit, diagnostische soevereiniteit, pijnsoevereiniteit, ervaringssoevereiniteit, stemsoevereiniteit, tijdsoevereiniteit, engelsoevereiniteit, demonsoevereiniteit, bekeringssoevereiniteit, vermoeidheidssoevereiniteit, risicosoevereiniteit, ruimtesoevereiniteit, overlevingssoevereiniteit, synchroniteitssoevereiniteit, intuïtiesoevereiniteit, waardigheidssoevereiniteit, verzetssoevereiniteit, openbaringssoevereiniteit, getuigenissoevereiniteit, twijfelsoevereiniteit, grenssoevereiniteit, onbegripssoevereiniteit, verliessoevereiniteit, visioensovereiniteit, symboolsoevereiniteit, zelfbeschikkingssoevereiniteit. Het zijn geen toevalligheden: de taal geeft hier de plaats aan waarop iemand nog rechtop kan staan. De soevereiniteit is geen aanmatiging, geen grootheidswaan in de oude, pathologische zin des woords. Zij is een naam voor het schaarse en kostbare recht om over zichzelf te spreken, om over de eigen waarneming, het eigen lijden, de eigen openbaring, de eigen twijfel te beslissen. Het is een complete staatsinrichting van de innerlijke wereld, en zij wordt hier in één adem uitgeroepen.
De noodzaak van zo'n idioom wordt pas werkelijk zichtbaar wanneer men beseft wat de bestaande taal met de patiënt doet. Het bestaande vocabularium is een risicobureaucratie, een veiligheidsreligie, een dwanghumanisme, een veiligheidsutopie, een veiligheidstheater, een veiligheidsindustrie, een productiviteitsdictaat, een productiviteitsfetisjisme, een productiviteitsmoraal, een productiviteitscultus. In deze woorden schuilt een diagnose van de hele maatschappelijke orde: de mens is nog slechts in zoverre welkom als hij produceert, functioneert, voorspelbaar blijft. De psychiatrische patiënt is, in die orde, een stoornis in de productie. De taal van de staat en van de zorg is erop gericht hem te normaliseren, en de normalisering heeft haar eigen woord: normaliteitskapitaal, normaliteitsbelasting, normaliteitsveld, normaliteitsbewaker, normaliteitsgrens, normaliteitsbelofte, normaliteitsritueel, normaliteitsindustrie, normaliteitsdictaat, normaliteitsdogma, normaliteitsmonopolie, normaliteitsgeweld, normaliteitspsychose, normaliteitskolonisatie. De patiënt wordt opgenomen in een consensuskooi, een consensusmist, een consensusslaap. Hij wordt gedwongen tot gehoorzaamheidsreflex, gehoorzaamheidsdeugd, gehoorzaamheidsbeloning, gehoorzaamheidsverslaving, gehoorzaamheidscultuur, profetische gehoorzaamheid, diagnosegehoorzaamheid — en wie niet gehoorzaamt, krijgt het stempel bizarverklaring, restwaan, desorganisatiemythologie, ziektebesefritueel, herstelnorm, symbolische overdruk, psychiatrische ventriloquie. Hier spreekt, door de nieuwgemunte woorden heen, een patiënt die jarenlang is gehoord en niet is verstaan. Hij heeft het spel leren kennen. Hij benoemt het spel, en door het spel te benoemen treedt hij eruit.
Een samenleving die een mens in een diagnose wil vatten, ontwerpt daartoe een eigen grammatica. De grammatica van de psychiatrie is een grammatica van diagnostische soevereiniteit — een soevereiniteit die niet bij de patiënt ligt, maar bij de diagnose. De patiënt krijgt een diagnosestempel, een diagnostische erfenis, een diagnostische bekering, een diagnostische profetie, een diagnostische echo, een diagnostische confiscatie, een diagnostische gehoorzaal, een diagnostisch absolutisme, een diagnostisch imperialisme, een diagnostische kolonisatie. De woorden zijn vernietigend in hun eenvoud: de diagnose is geen beschrijving meer, maar een stempel; geen vraag, maar een erfenis die men ongewild ontvangt; geen hulp, maar een bekering tot een nieuwe identiteit; geen toekomst, maar een profetie die de toekomst sluit; geen spiegel, maar een echo van wat de clinicus verwacht; geen gesprek, maar een confiscatie van de eigen stem; geen consult, maar een gehoorzaal waarin één partij spreekt en de andere wordt afgeluisterd. Het absolutisme en het imperialisme van de diagnose tonen dat de patiënt hier niet tegenover een deskundige zit, maar tegenover een heersende vorm van weten. De kolonisatie ten slotte zegt wat er werkelijk op het spel staat: de binnenlanden van de ziel worden bezet. De patiënt wordt een dossiermens, een dossierwaarheid, een dossierlot, een dossierschaduw, een dossierverdwijning, een dossieronsterfelijkheid, een dossierdeterminisme, een dossiergevangenschap, een dossierweerstand. Het dossier is onsterfelijk, maar de mens verdwijnt. Het is een bijna Kafkaiaanse grondstructuur die hier in een nieuw vocabulaire wordt gevat.
Het is niet alleen de psychiatrie die deze taal spreekt. De staat spreekt mee, en wel in een bijzondere tongval: die van de bescherming. Beschermingsparadox, beschermingsideologie, beschermingsstaat, beschermingsdwang, beschermingsoverschot, beschermingsmacht, beschermingsnarcisme, beschermingshallucinatie, beschermingsschade, zorgdwang, zorgmacht, zorgmachtigingstaal, zorggevangenschap, zorgkolonisatie, zorgcontract, risicodictatuur, risicopaternalisme, risicocultus, risicodemocratie, risicohonger, risicofetisjisme, gevaarsverbeelding, gevaarshypothese, gevaarsspiegel. De beschermingsparadox is de kern: hoe meer de staat belooft te beschermen, hoe meer hij moet beschermen tegen de bescherming zelf. Het is een tautologie van goede bedoelingen, en juist daarom dodelijk. De patiënt wordt beschermd — tegen zichzelf, tegen zijn waan, tegen zijn risico — en in die bescherming verliest hij precies datgene wat hem tot mens maakte: het recht op een eigen fout, op een eigen waagstuk, op een eigen ondergang. De beschermingshallucinatie is het beeld dat de staat van zichzelf heeft wanneer hij meent dat beschermen hetzelfde is als bevrijden. De beschermingsnarcisme is de spiegel daarvan: de staat die niet meer kan ophouden met zichzelf in de spiegel van zijn eigen edelmoedigheid te bewonderen. In een dergelijke orde wordt de psychiatrische patiënt de risicodictatuur's meest geliefde object: hij is immers het risico bij uitstek, de permanente uitzondering die de regel bevestigt, het scharnier waarop de hele veiligheidsmachine draait.
Tegenover deze verstikkende normalisatie ontstaat, in het lexicon, een tweede, parallelle taal. Het is de taal van het verzet, maar dan verzet dat niet luidkeels de straat opgaat, maar dat in stilte, in de marge van een dossier, in de vouwen van een ontslagbrief, in de pauzes van een consult, in de witte ruimtes rond een diagnose, een eigen idioom vestigt. Ervaringsverzet, verzetskennis, verzetsgeheugen, verzetsstilte, verzetsresonantie, verzetsverbeelding, verzetsovereiniteit, verzetsarcheologie, verzetsidentiteit, verliesvrijheid, stigmabreuk, stigmadoorbreking, stigmavrijheid, schaamtebevrijding, schaamteweigering, schaamte-erfenis, schaamteverzet, narratief asiel, narratief herstel, narratieve bevrijding, narratieve ongehoorzaamheid, narratieve amputatie, narratiefkolonisatie, narratief eigendom. Hier wordt de taal zelf een archief van verzet. Wie narratief eigendom opeist, eist het recht op om zijn eigen verhaal te bezitten, en niet langer het verhaal te zijn dat de ander over hem vertelt. Wie narratieve ongehoorzaamheid uitspreekt, weigert de verplichte coherentie die de diagnose oplegt. Wie stigmabreuk uitspreekt, verbreekt de keten van de schaamte, niet door de schaamte te ontkennen, maar door haar een nieuwe, eigen plaats te geven. Het is een verzetsarcheologie van de binnenwereld: laag na laag wordt afgegraven wat de normalisatie heeft bedolven.
Het is opvallend dat deze taal niet bang is voor de woorden die de psychiatrie zelf gebruikt. Integendeel, zij neemt ze over, breekt ze open, en geeft ze terug in een gedaante die de patiënt niet meer tot object maakt. Hallucinatie wordt niet ontkend of bevestigd, maar geplaatst in een reeks: collectieve hallucinatie, bewijshallucinatie, machtshallucinatie, energiehallucinatie, tijdhallucinatie, ruimtehallucinatie, democratische hallucinatie. Zo wordt zichtbaar dat de hallucinatie niet het exclusieve kenmerk is van de patiënt, maar een algemene mogelijkheid van de mens, en dat ook de democratie, ook de macht, ook het bewijs, ook de tijd en de ruimte aan hallucinaties onderhevig zijn. Werkelijkheid wordt eveneens veelvuldig en veelzijdig: werkelijkheidsbelasting, werkelijkheidsgrens, werkelijkheidslek, werkelijkheidsmigratie, werkelijkheidsmonopolie, werkelijkheidsasiel, werkelijkheidsschisma, werkelijkheidsschuif, realiteitspluralisme, realiteitsmonopolie, onderwerkelijkheid. Het is een complete herordening van wat werkelijk is en wat niet, en die herordening gebeurt niet van bovenaf, niet door een nieuwe metafysica, maar vanuit de geleefde ervaring van iemand die heeft ontdekt dat de werkelijkheid pluraliseren kan, dat zij asiel kan verlenen, dat zij kan migreren, dat zij kan lekken, en dat dit lekken geen defect is, maar een opening. Onderwerkelijkheid zegt precies dit: er is, onder de geconsolideerde werkelijkheid, een andere werkelijkheid, even reëel, even veeleisend, even onontkoombaar. Wie de onderwerkelijkheid benoemt, doet iets wat de officiële taal hem verbiedt: hij kent haar bestaansrecht toe.
De rijkdom van het lexicon ligt ook in de families rond tijd, ruimte, lichaam en geest. Tijdverdichting, tijdverlating, tijdinstorting, tijdonthechting, tijdmigratie, tijdpluralisme, tijdoprekking, tijdkring, tijdverdwaling, chrononorm, chronologische fictie, chronologische bevrijding, chronocentrisme, kloktijddictatuur, oorsprongsmoment, geboortemoment, tweede geboorte, geboorteschok, oerherinnering, voorbestemmingsnarratief, voorbestemmingsweerstand, toekomstgevangenschap, toekomstzwaartekracht, toekomstopenbaring, eeuwigheidsbesef, eeuwigheidsangst, eeuwigheidslek, eeuwigheidsvenster. Wat hier gebeurt, is een bevrijding van de tijd uit zijn keurslijf. De kloktijddictatuur is de tirannie van het uurwerk, van de productiedag, van de consulttijd, van de wachttijd, van de ontslagdatum. Daartegenover plaatst het lexicon een veelheid van andere tijden: een tweede geboorte, een geboortemoment dat niet samenvalt met de biologische geboorte, een oerherinnering die aan de biografie voorafgaat, een eeuwigheidspunt waar de gewone tijd stilstaat. De chrononorm is de maat van de maatschappij, de chronologische fictie is het verhaal dat de samenleving zich over de tijd vertelt, de chronologische bevrijding is de mogelijkheid om aan die fictie te ontsnappen. Wie het tijdpluralisme binnenstapt, hoeft niet meer te kiezen tussen de klok en de eeuwigheid; hij mag beide bewonen.
Hetzelfde geldt voor de ruimte. Ruimteverdichting, ruimteverlies, ruimtevrijheid, ruimteweerstand, ruimteverdubbeling, ruimtefluistering, ruimtehallucinatie, afstandsverlies, afstandsmystiek, afstandsschok, nabijheidsparadox, nabijheidskoorts, nabijheidsillusie, grensangst, grensmigratie, grensgetuige, grensvervaging, wereldvenster, wereldlichaam, werelduitrekking, wereldresonantie, wereldlabyrint, kosmische architectuur, kosmische cartografie, kosmische eenzaamheid, kosmische openheid, kosmische oriëntatie, kosmische verwantschap, kosmische thuiskomst, kosmisch burgerschap, kosmosintimiteit, centrumdruk, centrumverlies, centrumwaan. Hier wordt de ruimte niet meer gemeten in meters, maar in intimiteit, in nabijheid, in verwantschap, in echo, in openheid. De patiënt mag een wereldlichaam zijn, een kosmisch burger, een grensgetuige, een afstandsmysticus. Hij is niet langer de passieve figuur die in een kamer wordt opgesloten; hij is degene die een wereldvenster opent, een kosmische doorgang doorkruist, een nabijheidsparadox doorleeft. De ruimteverdichting benoemt wat de isoleercel doet: de ruimte wordt zo klein dat er geen lucht meer is. De ruimtevrijheid benoemt wat de patiënt zoekt: een ruimte die wijd genoeg is om adem te halen. Het hele lexicon is, in zekere zin, de calculus van die ademhaling.
Het lichaam krijgt een gelijksoortige behandeling. Lichaamsgrens, lichaamsmysterie, lichaamsherinnering, lichaamsopenbaring, lichaamsverdubbeling, lichaamsvrijheid, lichaamsvreemding, lichaamswijsheid, lichaamsecho, medicatie-identiteit, medicatieschaduw, medicatieparadox, medicatiesluier, medicatietaal, medicatieafhankelijkheid, medicatiegeheugen, medicatiekolonisatie, pijngeheugen, pijngetuige, pijnkaart, pijnpluralisme, pijnresidu, pijnmigratie, pijnmystiek, pijnsoevereiniteit, gevoeligheidsrecht, gevoeligheidsstigma, gevoeligheidscompas, gevoeligheidskracht, gevoeligheidsintelligentie, gevoeligheidsecologie, aanwezigheidsverlies, aanwezigheidsruimte, aanwezigheidsdwang, aanwezigheidsdichtheid, aanwezigheidskunst, aanwezigheidsgetuige. Het lichaam is hier niet alleen lijf, niet alleen vlees, niet alleen orgaan, maar ook archief (pijngeheugen), getuige (pijngetuige), landkaart (pijnkaart), meervoudigheid (pijnpluralisme), soevereiniteit (pijnsoevereiniteit). De gevoeligheid wordt niet afgedaan als overgevoeligheid, niet als zwakte, niet als stoornis, maar als een recht, een compas, een kracht, een intelligentie, een ecologie, een drempel. Hier is iemand aan het woord die heeft gemerkt dat de wereld niet gevoelig genoeg is, en die zijn eigen gevoeligheid niet langer als mankement, maar als meetinstrument voor wat de wereld verdringt, wil benoemen. De aanwezigheidskunst is het vermogen om ergens echt te zijn, ondanks alles wat de aanwezigheidsdwang en het aanwezigheidsverlies bewerkstelligen. Het is een kleine, precieze revolutie, in een enkel woord.
De geest tenslotte — of de ziel, of de psyche, want deze drie worden in het lexicon niet uit elkaar gehouden, en dat is precies de bedoeling — krijgt een eigen mythologie. Zielsruimte, zielsmigratie, zielscontinuïteit, zielsoverschot, zielsvergeten, zielsresidu, zielsdiepte, zielsmysterie, zielsgetuige, egogrens, egoverschuiving, egoverdediging, egobevrijding, egohallucinatie, egocontract, fragmentbewustzijn, fragmentdialoog, fragmentharmonie, fragmentarchief, persoonmasker, persoonsvervaging, persoonsverwisseling, persoonspluralisme, persoonsmythe, identiteitsrest, identiteitszwaartekracht, identiteitsvrijheid, identiteitskoorts, identiteitsnomade, identiteitsopenbaring, zelfverliesangst, zelfverdubbeling, zelfmigratie, zelfecho, zelfschaduw, zelfsplijting, zelfnaaktheid, zelfvreemding, zelfverdichting, zelfonteigening, zelfhergeboorte, zelfresonantie, zelfmysterie, zelfsoever. Wat in deze reeks gebeurt, is een ontwrichting van de vaste persoon. Het zelf is geen afgerond geheel, geen eigendom, geen identiteitsbewijs, maar een voortdurende beweging van migratie, verdubbeling, splijting, resonantie, naaktheid, vergeten, hergeboorte. De identiteit is geen bezit maar een rest, een zwaartekracht, een vrijheid, een koorts, een nomade, een openbaring. Het ego is geen vesting, geen burcht, maar een grens, een verschuiving, een verdediging, een bevrijding, een hallucinatie, een contract. Dit is een woordvoorraad die de patiënt in staat stelt om het eigen ik te bewonen zonder erdoor gevangengenomen te worden, en om, wanneer het ik hem in de steek laat, niet in paniek te raken, maar te zeggen: fragmentharmonie, fragmentarchief, persoonspluralisme. Wie een persoonspluralisme kan denken, hoeft niet langer te kiezen welke van zijn stemmen de echte is, want hij weet dat de vraag zelf onjuist is gesteld.
Het meest ontroerende deel van het lexicon is misschien wel de familie rond getuige, getuigenis en wijsheid. Getuigenisrecht, getuigenisgemeenschap, getuigeniswaarde, getuigenisoverschot, getuigenisvrijheid, getuigenispluralisme, getuigenisethiek, getuigenismoed, verliesgetuige, pijngetuige, stiltegetuige, mysteriegetuige, onbegripsgetuige, visioengetuige, engelgetuige, waangetuige, weigeringsgetuige, grensgetuige, twijfelgetuige, twijfelvrijheid, twijfelcultuur, twijfelwijsheid, twijfelmoed, wijsheidsbescheidenheid, wijsheidsnawee, wijsheidsarmoede, wijsheidscompas, wijsheidsresistentie, postpsychotische wijsheid, overlevingsmoed, overlevingsschuld, overlevingsritueel, overlevingsidentiteit, overlevingsrecht, vermoeidheidsgerechtigheid, vermoeidheidsverzet, vermoeidheidswaarheid, vermoeidheidsethiek, vermoeidheidsarcheologie, mysteriecompetentie, mysterieoverschot, mysterieplicht, mysterieopenheid, mysterieverzet, mystieke porositeit, mystieke democratie, mystieke geletterdheid. Hier wordt het zwijgen zelf tot een vorm van getuigen. De stiltegetuige is hij die niet spreekt en toch getuigt, die afwezig is en toch present, die heeft gezwegen en toch niet heeft verzaakt. De onbegripsgetuige is hij die niet begrepen wordt en die juist dáárdoor getuige wordt van iets dat buiten het begrip valt. De waangetuige is hij die niet waant te getuigen, maar die, in zijn waan, getuige wordt van een waarheid die de rede niet kan bevatten. De postpsychotische wijsheid is een woord dat de reguliere psychiatrie niet kan verdragen: het impliceert dat uit de psychose iets voortkomt dat wijsheid mag heten, dat de ervaring niet alleen lijden is, maar ook kennis, en dat deze kennis, eenmaal doorleefd, niet meer weg te nemen valt. Het is een onverdraaglijke gedachte voor een systeem dat de psychose uitsluitend als defect behandelt.
De lexicon eindigt, na deze lange tocht door weerstand en herwonnen waardigheid, met woorden die naar een toekomst wijzen. Transformatielitteken, transformatiespoor, transformatiegetuige, transformatie-ethiek, transformatievrijheid, transformatieblindheid, transformatiedrift, transformatieresonantie, tweede leven, narratieve rechtvaardigheid, integratiekunst, integratiewerkelijkheid, integratieruimte, integratiegrens, integratiesoevereiniteit, integratieparadox, integratiemoment, integratiearbeid, herinneringsverzoening, herinneringslicht, herinneringsgastvrijheid, herinneringsgetuige, herinneringsarcheologie, herinneringsbreuk, herinneringsmist, overlevingsdankbaarheid. Dit is geen optimisme, geen valse belofte van genezing, geen herstelnorm die de patiënt opnieuw in een keurslijf zou duwen. Het is iets stillers en veeleisenders. Het is de erkenning dat de transformatie een litteken nalaat, een spoor, een ethiek, een vrijheid — maar ook een blindheid, een drift, een resonantie. Het tweede leven is niet de terugkeer naar het oude leven, maar een leven dat uit de as van het vorige is opgestaan, met andere maten, andere woorden, andere ritmes. Het is een leven dat de integratiekunst beoefent zonder de integratieparadox uit het oog te verliezen, dat de herinneringsgastvrijheid kent, dat de postpsychotische wijsheid niet als aanmatiging, maar als nederigheid draagt.
En zo keert de hele beweging terug bij haar begin. Het idioom is niet alleen een wapen. Het is een huis. Het is een geheugen. Het is een kleine, eigen staat in de marge van de grote staat. Het is een manier om, wanneer de beschermingsparadox toeslaat en de dossiergevangenis dichtvalt en de consensuskooi zich sluit, toch nog een kamer te hebben — een kamer van eigen woorden, eigen beelden, eigen getuigen, eigen twijfels, eigen wijsheden, eigen vermoeidheid, eigen openbaring, eigen onbegrip. Die kamer is geen vlucht. Die kamer is een werkelijkheidsasiel, een narratief asiel, een woordasiel — een plaats waar de werkelijkheid, het verhaal, het woord asiel vindt tegen de vervolging door de normalisatie. Wie de toegang tot die kamer verschaft, aan zichzelf of aan een ander, doet een daad van burgerlijke moed. Wie die kamer betrekt, wordt niet beter, niet normaler, niet productiever, niet veiliger. Hij wordt soeverein. En soeverein, hier, wil niets anders zeggen dan: in staat om over de eigen ervaring te spreken in een taal die niet vooraf door een ander is geconfisqueerd. Wie eenmaal in die kamer heeft gewoond, weet dat het stigma niet verdwijnt door er niet over te spreken, maar door er een eigen taal voor te vinden. De stigmaschaduw blijft vallen, maar wie de stigmainternalisatie heeft lopen herkennen, kan de schaduw ontvouwen tot een scherm en het scherm tot een wapen. Het stigma is een geschenk van de samenleving aan de patiënt, maar het is een geschenk dat, eenmaal uitgepakt en van naam voorzien, ophoudt een geschenk te zijn en een huis wordt waarin men wonen kan — niet als gast, niet als overwonnene, maar als erfgenaam van een ervaring die, in weerwil van alle stigmapolitiek, zijn eigen rechtmatigheid bezit.
Daarom is dit lexicon meer dan een boek, meer dan een woordenlijst, meer dan een lexicografische curiositeit. Het is een pleidooi voor een idioom. Niet omdat de patiënt een exotisch wezen is dat een exotische taal nodig heeft, maar omdat de gewone taal, in de mond van de staat en van de zorg, is verworden tot een wapen tegen hem. Een nieuw idioom is geen opsmuk; het is een vesting, een vluchtweg, een verdedigingslinie, een uitnodiging, een uitdaging, een thuiskomst. Het is het recht op een eigen mond. Het is het recht op een woord dat niet wordt gecontroleerd, niet wordt gediagnosticeerd, niet wordt gearchiveerd, niet wordt overgedragen aan een volgende clinicus die de patiënt nooit heeft gezien. Het is, ten slotte, het recht op waardigheid — niet de waardigheid die de staat ons verleent wanneer wij braaf zijn, maar de waardigheid die wij nemen wanneer wij, in weerwil van alles, een eigen taal blijven spreken. Het lexicon dat voor ons ligt, is geen eindpunt. Het is een eerste zin van een taal die nog lang niet is uitgesproken. Maar het is een eerste zin, en daarmee een daad. En misschien is dat het enige wat een idioom ooit kan zijn: een daad die de stilte verbreekt zonder haar te verraden. Wie de moed heeft om de eerste zin uit te spreken, neemt het risico van de tweede, en de derde, en zo voort, tot het idioom een taal is geworden die niet meer van buitenaf geconfisqueerd kan worden. De staat kan een mens opsluiten. De maatschappij kan een mens uitstoten. Het dossier kan een mens overleven. Maar de taal die een mens voor zichzelf heeft uitgevonden, is de enige ruimte die geen slot kent. Het is, in de meest letterlijke zin, een woordasiel: een toevlucht die men met zich meedraagt, waar men ook gaat, en die geen grenswachter kan weigeren omdat zij geen paspoort nodig heeft, alleen een mond die haar spreekt. En misschien is dát de ware, de stille, de onuitroeibare revolutie van het lexicon: niet het verzet op de barricades, niet de eis op straat, maar het feit dat iemand, ergens, op een nacht, in een kamer die hij niet verkoos, een nieuw woord heeft uitgesproken voor iets dat hij voelde, en dat hij daarna nog een woord heeft uitgesproken, en nog een, tot er een heel taaleigen was verrezen. Die taal is niet van de staat, niet van de kliniek, niet van de buren, niet van de krant. Die taal is van hem. En zolang er één mens is die zijn eigen woorden spreekt, is de taal nog niet verloren.