Literair essay

Polemisten en lastpakken

Over de ruzie als officieel genre van de Nederlandse letteren, van Multatuli tot Grunberg.

Een essay



De Nederlandse literatuur bezit een eigenaardig en benijdenswaardig fenomeen: de lastpak die niet buiten de letteren valt te denken, de polemist die in dezelfde adem wordt gevreesd en gelezen. Waar andere culturen hun schrijvers op een sokkel plaatsen en hun commentatoren in een bijgebouw zetten, heeft Nederland altijd geweten dat de een niet zonder de ander kan bestaan. De Nederlandse literatuur is klein van taalgebied en daardoor misschien extra gevoelig voor ruzie: wie elkaar op een feestje nog kan tegenkomen, schrijft anders dan wie elkaar alleen via vertalers ontmoet. De polemist is hier niet de uitzondering maar een van de officiële genres, een literaire houding die zijn eigen canon heeft. Wie die canon overziet — van Multatuli tot Grunberg, van Ter Braak tot Kousbroek — ziet niet alleen een reeks temperamenten voorbijtrekken, maar ook een voortdurende, nauwelijks onderbroken oorlog over wat literatuur eigenlijk hoort te zijn. En wie beter kijkt, ziet ook wat er ontbreekt: een doorlopende lijn van vrouwelijke stemmen, die pas in de laatste decennia van de twintigste eeuw een serieuze plaats in dit polemische bedrijf opeist. Ook dat hoort bij het verhaal.

Multatuli is de mythische grondlegger van die oorlog, hoewel hij zelf in 1860 natuurlijk niet wist dat hij de oervader werd van een hele traditie. Eduard Douwes Dekker schreef de Max Havelaar in een combinatie van woede, persoonlijke vernedering en een bijna profetische overtuiging dat hij de waarheid in pacht had. Het is de moeite waard om te beseffen hoe ongewoon dat boek is: het doet zich voor als roman, maar het is in wezen een open brief, een requisitoir, een aanklacht tegen een heel systeem. Het beroemde “Inkijkgat” — de korte roman binnen de roman — is niet alleen een knap stilistisch experiment, het is ook een schaamteloze poging om de lezer op sleeptouw te nemen. De schrijver valt voortdurend uit zijn verhaal, valt de lezer lastig, houdt redevoeringen, wordt sarcastisch, wordt weer ernstig, wendt zich tot Batavus Droogstoppel als tot een oude bekende, kapt de fictie op de meest ongelegen momenten af om een politieke uitroep te plaatsen. Er is geen ironische afstand; de schrijver zit in zijn eigen tekst als een man die op een bijeenkomst het woord heeft gegrepen en het niet meer wil afgeven. In die zin is Max Havelaar niet alleen de eerste grote Nederlandse roman, het is ook het eerste Nederlandse polemische meesterwerk, en het heeft een sjabloon geleverd dat iedereen na Multatuli min of meer heeft moeten beantwoorden: durf je jezelf zo op de voorgrond te plaatsen, durf je je zo te mengen in andermans zaken, durf je een heel systeem de oorlog te verklaren vanuit je eigen, particuliere gewonde ik? Multatuli's tragiek was dat hij zijn eigen methode niet kon loslaten: hij bleef, ook na de doorbraak, krasse brieven schrijven, ministeries bestoken, lezingen afsteken — zijn leven werd de polemiek die hij was begonnen.

Dat sjabloon werd in de jaren tachtig van de negentiende eeuw opgepakt door de Tachtigers, maar in een heel andere toonsoort. De Beweging van Tachtig was zelf een polemische beweging, en haar organen — eerst De Nieuwe Gids, later De Kroniek, De Tweemaandelijksche, De XXe Eeuw — functioneerden als loopgraven. Willem Kloos, redacteur en criticus, sloopte wekelijks reputaties met een toon die nu onleesbaar direct lijkt, maar die toen als bevrijdend werd ervaren. Lodewijk van Deyssel, in zijn jonge jaren, schreef de beroemde zin “Ik heb genoten” na een gedicht van Kloos, en die ene zin werd het strijdsignaal van een hele generatie: niet meer de deugdzame, afgemeten Nederlandse letteren, maar de kreet, de huivering, het vlees, de zintuiglijkheid, het ik dat niet langer wegduikt achter een onderwerp. Van Deyssel was ook de man die anderen vernietigde in een reeks Kritieken die tot op de dag van vandaag gelezen worden als model van de literaire scheldkritiek; zijn aanvallen op oudere schrijvers als dominees of bedienden behoren tot het pijnlijkste wat de Nederlandse kritiek heeft voortgebracht. Tegenover het impressionisme van Kloos stelde Van Deyssel een naturalisme dat haast even extreem was; beiden waren het erover eens dat de literatuur de gewone Nederlandse braafheid voorbij moest, maar over de vraag hóe dat moest, voerden zij onderling oorlog tot de vroege dood van Kloos' generatiegenoten. Ook de gevestigde orde protesteerde luidkeels: Louis Couperus en de oudere generatie zagen in de Tachtigers vooral een stelletje brutale jongens dat de nette letteren om zeep hielp, en de woordenwisselingen tussen die twee kampen vormden een van de vervelendste en vermakelijkste hoofdstukken uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. De Tachtigers zijn misschien minder gelezen dan Multatuli, maar hun toon is overal in de Nederlandse letteren doorgedrongen: het idee dat de criticus de schrijver mag en zelfs moet bevechten, dat de polemist een creatieve functie vervult, dat de literaire scène een slagveld is waar eerlijkheid het enige wapen is.

Aan het einde van die eeuw en in de eerste decennia van de twintigste eeuw verplaatste de polemiek zich, niet verwonderlijk, naar de politiek. Herman Gorter, Henriëtte Roland Holst, Albert Verwey — die laatste nu weer in een heel andere gedaante, na zijn zogenaamde tweede periode — voerden een oorlog die deels literair, deels politiek was. Gorters sensitivistische verzen werden in de jaren tien door hemzelf weggewuifd, opnieuw geschreven, en uiteindelijk vervangen door een socialistische lyriek die als een evenknie van Multatuli's aanklacht fungeerde. Roland Holst schreef essays en brieven die je nu nog kunt lezen als voorbeeld van een bepaald type links engagement: compromisloos, moreel stringent, en toch altijd doortrokken van een persoonlijke toon. Albert Verwey onderhield een ongemakkelijke vriendschap met de dichteres Hélène Swarth, die uitliep op een van de bitsste persoonlijke polemieken uit die periode — een ruzie over poëtica en geld die decennialang door de Nederlandse letteren bleef nawerken. Wat hier ontstaat, is een patroon dat de Nederlandse letteren nooit meer heeft losgelaten: de polemist die de politiek in trekt, de schrijver die weigert louter kunstenaar te zijn, de criticus die partij kiest en dat ook uitspreekt. Het is een patroon dat zich in de jaren dertig, in het Interbellum, opnieuw en met grotere felheid zou herhalen. En het is opvallend — misschien ook veelzeggend — hoezeer de vrouwelijke stem in dit hele bestel tot de jaren zeventig op de achtergrond bleef, niet omdat vrouwen niet schreven, maar omdat het literaire publieke debat, met zijn krantjes en sociëteiten en redactievergaderingen, een mannelijk bolwerk bleef.

Het Interbellum wordt in de Nederlandse letterkunde vaak samengevat onder de vlag van Forum, het tijdschrift dat tussen 1932 en 1935 het toneel was van een reeks felle debatten. Menno ter Braak is hier de sleutelfiguur, samen met Edgar du Perron. Ter Braaks Het nationaal-socialisme als rancuneleer, verschenen in 1937 maar ontsproten aan de Forum-discussies, is misschien wel het zuiverste Nederlandse polemische essay ooit: kort, vlijmend, persoonlijk, en toch met een algemene these die de lezer dwingt positie te kiezen. Het essay viel het nationaal-socialisme niet aan als politieke ideologie alleen, maar als psychologische houding — de rancune van de kleine man die zich groot wil voelen door een zondebok te zoeken. Het was een ongekend stoutmoedige onderneming, niet alleen intellectueel maar ook moreel: Ter Braak riskeerde lijfelijk gevaar door te publiceren wat hij publiceerde, en hij weigerde na de Kristallnacht zijn standpunt te matigen. In 1940 maakte hij een einde aan zijn leven, vermoedelijk in de overtuiging dat een goede dood nog het enige statement was dat de moeite waard was. Du Perron, de man met de snor en de scherpe tong, was een ander type: minder strak in zijn essays, wendbaarder, ironischer, maar minstens zo onverschrokken. Tussen Ter Braak en Du Perron speelde zich een beroemd dispuut af — het zogenaamde “Vorm of Vent”-debat — over de vraag of de schrijver nu vooral door zijn stijl of door zijn persoonlijkheid werd gedreven, een twist die meer over hun eigen vriendschap ging dan over de literatuur en die juist daardoor exemplarisch is voor wat er in de polemiek op het spel staat: niet de theorie, maar de persoon. Du Perrons Een Voorbereiding uit 1927, een mengeling van memoires en polemiek, blijft leesbaar als een van de meest ontregelende boeken uit die periode, vooral omdat de schrijver voortdurend weigert de toon te vinden die het publiek van hem verwacht. En in de marge van dit alles schreef Neel Doff, teruggetrokken in het zuiden des lands, haar eigen felle, ondermijnende proza — Koenraad (1900) en Keerzijde (1900) — dat lange tijd als literatuur werd afgedaan en pas laat als de aanklacht herkend werd die het altijd al was geweest: tegen de burgerlijke hypocrisie, tegen de standsmaatschappij, tegen het zwijgen over armoede en vrouwenlichamen.

Na de oorlog lijkt de traditie van de lastpak zich te splitsen in drie richtingen, drie namen die nu nog altijd als een drie-eenheid worden aangeduid: W.F. Hermans, Gerard Reve, Harry Mulisch. Zij vormden de inzet van het publieke debat over wat een schrijver in Nederland mocht zijn. Hermans, wellicht de meest verbitterde van de drie, cultiveerde een persoonlijkheid die in het publieke optreden nauwelijks te onderscheiden was van de fictie: de man die altijd gelijk had, die collega-schrijvers systematisch vernietigde in interviews en columns, die weigerde zijn mond te houden over politieke kwesties, die de Duitse oosterburen consequent als cultuurbarbaren afschilderde. Mandarijnen op zwavelzuur en het manifest-achtige Ik heb altijd gelijk werden vroege, maar typerende producten van die houding. Hermans was de man die het publiek uitdaagde hem te haten, en er tegelijk van genoot. Reve, de religieuze, de obscene, de man die God las en de duivel als vriend koos, was een heel andere verschijning: een schrijver die de polemiek in zijn werk stopte in plaats van in columns, maar die de pers en het publiek voortdurend uitdaagde met uitspraken die het midden hielden tussen waanzin en provocatie, en wiens processen wegens godslastering en obscene schennis van een verkeerd begrepen christendom in de jaren zestig en zeventig tot de verbeelding spraken. Mulisch, eindelijk, was de minst zuivere polemist van de drie, en misschien juist daarom de gevaarlijkste: een man die de polemiek tot performance maakte, die met een vleugje zelfironie beweerde de grootste schrijver van Nederland te zijn en het publiek in verwarring achterliet over de vraag of hij dat meende of niet. Samen domineerden zij decennia lang het publieke debat over de Nederlandse literatuur, en hun stempel op het genre van de literaire polemiek is nog altijd voelbaar, ook al omdat iedereen die na hen kwam zich tot hen moest verhouden, in bewondering of in afkeer, maar zelden onverschillig.

In de jaren zestig en zeventig veranderde het toneel. Er kwam een nieuwe generatie, deels gevormd door de Vijftigers, die de literaire polemiek een andere wending gaf. Jan Wolkers, de schilder-beeldhouwer-schrijver, schokte met Turks Fruit (1969) een natie die gewend was geraakt aan een zekere preutsheid; de roman was niet alleen een kunstwerk, hij was een culturele bom die de deur openzette voor een ongegeneerde omgang met seksualiteit, geweld en kerkelijke hypocrisie. K. Schippers en de Barbarber-sessies vormden een ander front: de neo-avant-garde die het experiment tot spektakel maakte en de ernst van de oude polemist bespotte door hem belachelijk na te doen. Jeroen Brouwers, de geboren Vlaming maar in Nederland werkend, schreef essays en recensies die de stijl van Ter Braak voortzetten in een meer existentiële richting, drift en levenswalging in één zin samenpersend. Het beeld van de Nederlandse literatuur werd in deze periode pluriform, ook in zijn polemische uitingen. De generatie na Mulisch, Hermans en Reve zocht niet meer de openbare vechtpartij, maar de ondermijning, de zijdelingse aanval, de sluipende spot. Dat is een polemiek van een andere orde, maar niet minder effectief: wie niet meer om de literaire smaak vecht, maar om de inrichting van het intieme leven, om seks, om religie, om de vraag wat nog wel en niet gezegd mag worden, doet aan polemiek met andere wapens. Ook de feministische golf van de jaren zeventig en tachtig liet hier haar sporen na: schrijfsters als Doeschka Meijsing, Hella Haasse in haar late essays, Kristien Hemmerechts en in Vlaanderen Hugo Claus, de man die op zijn manier de hele Belgische letteren lange tijd in gijzeling hield met zijn wandaden en zijn woede-uitbarstingen, herschreven de regels van wat een polemist mocht zijn.

In de tweede helft van de twintigste eeuw krijgen we een nieuw type lastpak: de columnist die schrijver is, of de schrijver die columnist wordt. Rudy Kousbroek, oorspronkelijk wiskundige en essayist, schreef in NRC Handelsblad columns die de Nederlandse schrijverswereld decennialang in beroering hielden: sceptisch, erudiet, soms genadeloos, altijd intelligent, in een bijna klassiek Frans idioom dat deed denken aan de moralisten van de zeventiende eeuw. Maarten 't Hart, bioloog en musicoloog, voegde daar een heel eigen stem aan toe — de dissidente calvinist die het calvinisme afzwoer maar de calvinistische moraal in zijn eigen kritiek behield, en die daarmee de Nederlandse preutsheid op haar eigen grondvesten deed schudden. A.F.Th. van der Heijden, de schrijver van de cyclus De tandeloze tijd, mengde in zijn romancycli een polemiek met de Nederlandse samenleving die zich uitstrekte over decennia en over elk denkbaar maatschappelijk thema — van de binnenstad van Amsterdam tot de politieke moord, van de voetbalkantine tot de marge van de psychiatrie. Dit is een polemiek die niet meer om de literaire smaak draait, maar om de inrichting van de samenleving zelf: asielzoekers, milieu, seksuele moraal, de multiculturele samenleving, de verloedering van de openbare ruimte. De Nederlandse schrijver wordt in deze jaren steeds meer een publieke intellectueel, en de polemist is dan ook minder een criticus en meer een commentator die weigert zijn eigen vakgebied te beperken. Het is in deze constellatie dat de krantencolumns, de essays in De Groene Amsterdammer, de bijdragen aan NRC en Trouw, een tweede front vormen naast de roman, en soms de roman overvleugelen in maatschappelijk effect.

In het huidige literaire landschap is Arnon Grunberg ongetwijfeld de meest zichtbare erfgenaam van Multatuli, Ter Braak en Hermans. Hij is de schrijver die de polemiek in al haar gedaanten beoefent: in romans, in columns, in toespraken, in optredens, in brieven aan lezers, in korte schimpscheuten op sociale media. Wat hem onderscheidt van zijn voorgangers is dat hij de polemiek niet langer ziet als een gevecht tussen personen, maar als een constante, noodzakelijke verstoring van de openbare orde. Hij is, in zekere zin, de geïnstitutionaliseerde lastpak — een man die zijn eigen polemiek in de wereld heeft gebracht en nu niet meer weg te denken is, ook al wantrouwt hij zelf die institutionalisering het meest. Cees Nooteboom, ouder, op afstand, maar in zijn essays even scherp als Grunberg in zijn columns, vertegenwoordigt een andere traditie: die van de stille, onverzettelijke criticus die zijn mening niet aan de man brengt door te schreeuwen, maar door haar in een volmaakte zin te zetten. Het digitale tijdperk heeft intussen een heel nieuw soort polemist voortgebracht: de blogger, de twitteraar, de schrijver die in real time reageert op de waan van de dag en daarbij voortdurend de grens tussen ernst en performance oprekt. Namen als Japke-d. Bouma, Aaf Brandt Corstius, Kees van Kooten in zijn late werk, Özcan Akyol, Asha Karimi, of de jongste generatie die nog geen canon heeft maar wel al polemiseert, houden de lijn open. Vaak polemiseren zij met dezelfde wapens als hun voorgangers, soms met nieuwe, soms met een snelheid die de oude polemist deed huiveren — een goed geplaatste tweet van nu doet meer stof opwaaien dan een heel De Gids-nummer in 1935.

Wat zegt deze traditie ons over de Nederlandse literatuur in het algemeen? Misschien dit: dat er in dit taalgebied een ongewoon sterke wisselwerking bestaat tussen het schrijven en het ruziën, tussen de roman en het manifest, tussen de verbeelding en de mening. Het is verleidelijk om dat te verklaren vanuit het calvinistische erfgoed — een cultuur die vanouds houdt van de openbare twist en de morele rekensom, waar de preek en de tegenspraak broertjes en zusjes zijn. Het is even verleidelijk om te wijzen op de geringe omvang van het taalgebied, die maakt dat iedereen elkaar kent en dat anonimiteit onmogelijk is. Maar misschien is de diepere reden dat de Nederlandse literatuur zelf altijd een beetje ongemakkelijk is geweest met haar eigen bestaansrecht: in een samenleving die lang prat ging op haar handelsgeest, haar pragmatisme, haar tolerantie, bleef de literatuur een zone van overbodige schoonheid, en de polemist was de schrijver die dat overbodige openlijk verdedigde — of aanviel. De polemist is, in dit licht bezien, de meest Nederlandse van alle literaire types: degene die niet kan zwijgen, niet wil zwijgen, en die weet dat zwijgen in een kleine taal het einde van alles betekent. Wie niets meer te zeggen heeft, heeft geen taal meer nodig, en wie geen taal meer heeft, verdwijnt. De ruzie is dus niet het ornament van deze letteren, het is een van de redenen waarom ze nog bestaan.

Wie de lijst van namen overziet — Multatuli, Kloos, Van Deyssel, Gorter, Roland Holst, Ter Braak, Du Perron, Hermans, Reve, Mulisch, Wolkers, Kousbroek, 't Hart, Van der Heijden, Grunberg, Nooteboom, en naast hen de vrouwen die er steeds nadrukkelijker bij horen — kan niet anders dan tot de slotsom komen dat de Nederlandse literatuur een traditie van ruzie bezit die nauwelijks haar gelijke kent. Het is een traditie die soms ontaardt in persoonlijke aanvallen, in nijd, in ijdelheid — dat zijn de momenten waarop de polemist zijn eigen genre verloochent en niets anders meer is dan een kwade man die zijn gram haalt. Maar in haar beste momenten levert die traditie werken op die de moeite waard zijn om na honderd of honderdvijftig jaar nog te lezen: de Max Havelaar, Het nationaal-socialisme als rancuneleer, Ik heb altijd gelijk, de essays van Kousbroek, de columns van Grunberg, de late brieven van Nooteboom. De polemist is niet de tegenpool van de schrijver, hij is een van zijn gedaanten, misschien wel de eerlijkste, omdat hij niet kan verbergen achter fictie. Wie polemiseert, laat zichzelf zien; dat is het risico, en dat is de beloning. De Nederlandse literatuur is in haar geheel een beetje polemisch; dat is haar kwaliteit, en soms haar ziekte, maar nooit haar onbelangrijkste eigenschap. Wie dat niet kan waarderen, heeft het wezen van deze kleine, eigenaardige, onmisbare letteren niet begrepen — en wie het wel begrijpt, weet ook dat de volgende ruzie alweer op komst is, ergens in een tijdschrift dat nog niet is opgericht, door een schrijver die nog niet is ontdekt, in een taal die het nog altijd verdient om in te worden uitgevochten.